Naar blog overzicht - 15-02-2018

Creativiteit is dat je ergens komt waar je nooit eerder was

Ik wil je graag voorstellen aan een geweldige schrijfster en columnist, Japke-d. Bouma. Zij schrijft in nrc.next en NRC Handelsblad wekelijks twee columns: eentje over kantoorjargon en een over taal.

Ondernemen is geweldig. Als professioneel dromenjager kom ik zoveel gave mensen tegen. Mensen met mooie dromen. Mensen die hun dromen najagen. Mensen die elke dag vol energie aan het werk gaan en in het leven staan. Daar krijg ik zelf ook ontzettend veel energie van. Om jou ook wat van deze energie te geven interview ik maandelijks een van deze mensen. Hun verhalen mogen gehoord worden. Het podium is even voor hen. Deze keer is het podium voor… Japke-d Bouma!

Als jij op een feestje aan een vreemde moet uitleggen wat je doet, wat zeg je dan?

Omdat ik wekelijks over heldere taal schrijf, ben ik inmiddels helemaal getraind om zo eenvoudig mogelijk te vertellen wat ik doe. Mensen maken zichzelf vaak belangrijker op feestjes. Als mensen aan mij vragen wat ik doe zeg ik tegenwoordig gewoon dat ik stukjes schrijf en dat ik de krant maak. Want dat is het eigenlijk wel. En ja, dat bevalt me eigenlijk wel om het gewoon op die manier te zeggen: ik schrijf columns en ik ben eindredacteur.

En wat heeft het jou gebracht sinds je het gewoon zo simpel zegt als dat het is?

Nou, dat mensen veel eerder en beter doorhebben wat ik doe. Je kan er wel allemaal ingewikkelde termen tegenaan gooien, bijvoorbeeld dat ik ‘content creër’ of dat ik ‘nieuws coördineer’, maar uiteindelijk is dit het. Voor mij is dat overigens een stuk makkelijker dan voor veel andere mensen. Ik heb heel concreet werk. Heel veel mensen hebben ingewikkelde functieomschrijvingen en weten zelf ook niet helemaal wat ze doen, dat is één van de redenen dat er zoveel in kantoorjargon gepraat wordt.

We hebben het nu natuurlijk over vormen van creativiteit, maar wat betekent creativiteit voor jou eigenlijk?

Creativiteit is voor mij dat je je Facebook en Twitter even uitzet en afdaalt in je gedachten. Dat is soms best lastig, want de mens is snel afgeleid, maar het loont om alle afleiding even uit te zetten. Daardoor kom je soms ergens uit waar je van tevoren niet had gedacht had dat je er uit zou komen. Van mijn columns worden boekjes gemaakt, en vlak voordat ik mijn manuscript bij de drukker moet inleveren, lees ik uiteraard al mijn oude columns weer eens grondig door. En dan denk ik wel eens: hoe ben ik daar ooit opgekomen hè?

Het is wel vaak iets nieuws, maar het is vaak ook het verbinden van oude dingen die geen waarde lijken te hebben aan nieuwe dingen zodat ze samen weer waarde krijgen. Je zou het oude wijn in nieuwe zakken kunnen noemen. Wat ik grappig vind en wat veel mensen leuk vonden is het opnieuw duiden van clichés als ‘failure is not an option’, ‘wrijving geeft glans’, ‘van hard werken is nog nooit iemand doodgegaan’ of ‘durf te falen’. Heel vaak zijn die uitspraken onzin, als je ze uiteen gaat rafelen. Ik vind het leuk om die clichés te ontmaskeren. Het laatste hoofdstuk van mijn boek gaat over die clichés. Ik denk dat dat ook creativiteit is: heel veel mensen blijven hangen in die dingen die er al waren. Het is juist zo leuk om hier met elkaar opnieuw naar te kijken en weer nieuwe clichés te maken. Het ene cliché gaat weer over in het andere. En dan moeten we weer nieuwe woorden of uitdrukkingen bedenken.

“Taal vernieuwt zich voortdurend, over creativiteit gesproken.”

Als je nu kijkt naar die bestaande clichés of termen of denkpatronen waarin mensen zitten, wat zou volgens jou een manier zijn om juist dat kritische denken aan onze kinderen te leren?

Over kinderen maak ik me niet zoveel zorgen. Juist kinderen spreken hun eigen taal. Ik merk bij mijn dochter van dertien dat zij juist heel erg bezig is om andere woorden te verzinnen en haar eigen taal te ontwikkelen waarmee ze zich heel graag wil onderscheiden van volwassenen. Dat is natuurlijk iets wat jongeren doen.

Dat is die hele straattaal. Zelfs in de taal proberen jongeren zich te onderscheiden of af te zetten tegen volwassenen.

“Ik vergelijk managers, die jargon gebruiken ook vaak met pubers.”

Nou ja, daarom vergelijk ik managers, die jargon gebruiken ook vaak met pubers. Politici overigens ook: die maken ook hun eigen taaltje onderling. Als je kijkt naar al die termen die managers bedenken is het toch een soort puberale drang om zich groot en belangrijk maar vooral anders te maken dan de gewone mensen die ze op verjaardagen tegenkomen. Die managers creëren een soort belangrijk jargon waarvan ze hopen dat niemand doorvraagt. Maar eigenlijk zijn ze net als pubers bezig zichzelf een taaltje aan te meten waarmee ze comfortabel met elkaar kunnen praten. Het verschil met pubers is echter, dat er bij die managers weinig creativiteit in al dat jargon zit. Het is meestal alleen maar elkaar napraten en precies doen wat al die andere bedrijven ook doen. Het is achter de volgende Rattenvanger van Hamelen aanlopen. En het dan op precies dezelfde manier doen. Dat is ook het interessante eraan, er is geen vernieuwing. Eigenlijk een paradox.

Wie zijn volgens jou inspirerende en creatieve denkers waarvan je zegt ‘die zou je ook eens moeten interviewen’?

Ik heb veel geleerd van Richard Engelfriet, hij onderzoekt of er wetenschappelijk bewijs is voor managementhypes. Hij denkt zoals ik, we willen allebei graag ontmaskeren, maar toch ook weer heel anders. We ontdekten elkaar op Twitter en spraken af, nu zie ik hem geregeld en praten we over ons werk. Hij heeft het boek De Succesillusie geschreven, daarin prikt hij ook allerlei clichés door. Er zijn niet heel veel die dat doen, dus het was voor mij heel fijn zo iemand te ontmoeten. Ik vind het bijvoorbeeld in de politiek lastig om iemand te noemen die me inspireert, de meeste politici praten in clichés. Mijn inspiratiebronnen zitten meer in het cabaret, Dolf Jansen, Claudia de Breij, Theo Maassen; maar het allerbeste vind ik Arjen Lubach.

Wil jij doorgaan met het oude wijn in nieuwe zakken stoppen, of wil je nieuwe wijn brouwen?

Ik heb wel ideeën, maar ik heb natuurlijk ook een podium nodig, een plek waar ik mijn nieuwe ideeën kan publiceren, dus het is niet zo dat als ik iets nieuws bedenk iedereen daar automatisch in meegaat. Ik heb wel ideeën voor écht iets nieuws, maar daar moet nog plek voor komen.